Voorbeelden van intervaltraining
Er zijn verschillende manieren om een intervaltraining op te bouwen. Hieronder vind je een aantal populaire vormen die je kunt gebruiken als inspiratie voor je eigen trainingen.
Intensieve interval
Bij een intensieve intervaltraining loop je korte stukken op hoge snelheid. Zo werk je gericht aan je snelheid en explosiviteit.
Voorbeeld: 5 × 400 meter op 5 of 10 km-tempo met 2 minuten rust.
Extensieve interval
Bij een extensieve intervaltraining loop je langere intervallen op een stevig, maar gecontroleerd tempo. Hiermee werk je aan je conditie en leer je een hoger tempo langer vol te houden.
Voorbeeld: 3 × 5 minuten op halve marathontempo met 1 minuut rust.
Piramide-interval
Bij een piramide-interval worden de intervallen eerst steeds langer en daarna weer korter. Dat zorgt voor afwisseling tijdens je training.
Voorbeeld: 1-2-3-2-1 minuten versnellen met 1 minuut herstel tussendoor.
Wisselinterval
Tijdens een wisselinterval wissel je steeds tussen verschillende tempo’s. Zo train je het schakelen tussen verschillende snelheden.
Voorbeeld: 10 × 400 meter, waarbij je de oneven intervallen op 10 km-tempo en de even intervallen op 5 km-tempo loopt.
Fartlek interval
Een fartlek is een vrije vorm van intervaltraining zonder vast schema. Je bepaalt tijdens het lopen zelf wanneer je versnelt en wanneer je weer rustiger loopt.
Voorbeeld: versnel tot een lantaarnpaal, bocht of ander herkenningspunt en loop daarna weer rustig verder.
Climax interval
Bij een climax intervaltraining wordt ieder interval iets intensiever dan het vorige. Zo bouw je de inspanning tijdens de training steeds verder op.
Voorbeeld: 3 × 200 meter waarbij je opbouwt van 70% naar 80% en uiteindelijk 100% van je maximale hartslag.
Billat interval
Bij een Billat intervaltraining wisselen korte, snelle intervallen en korte herstelmomenten elkaar af. Zo werk je in één training aan zowel snelheid als conditie.
Voorbeeld: 20 × 30 seconden lopen met steeds 30 seconden rustig joggen.